Een Middelnederlandse Marialegende uit de 14de eeuw
Tine Ruysschaert
Soliste in woordtheater sinds 1972.
Beatrijs is een jonge kosteres in het klooster die haar habijt
aflegt voor een jeugdliefde. Ze nodigt hem uit buiten de muren
van het klooster, waar de geliefden elkaar ontmoeten onder de
egelantier (wilde rozenstruik; van oudsher een symbool voor
liefde). Ze vluchten samen weg en het geluk lijkt Beatrijs toe
te lachen: ze krijgen twee kinderen en leiden een luxueus leven.
Maar na zeven jaren is het geld op. De geliefde gaat ervandoor
en Beatrijs blijft alleen achter met haar kinderen. Omwille van
haar adellijke afkomst is ze te trots om te bedelen. Dit zou
binnen de stadsmuren moeten gebeuren, waar ze herkend zou
kunnen worden. Daarom verkiest ze om haar lichaam te
verkopen,
wat meer in het geheim gebeurt, dit wil zeggen buiten
de stadswallen. Na een tijdje beseft ze dat prostitutie een zonde
is. Dit motiveert Beatrijs om haar trots opzij te zetten en toch te
gaan bedelen. Door voor een zwerversbestaan te kiezen hoeft ze
zich niet te vernederen binnen haar eigen stad. Ondanks haar
zondige leefwijze blijft Beatrijs Maria trouw door elke dag tot
haar te bidden.
Bij toeval komt ze in de nabijheid van haar vroegere klooster.
Ze vindt er onderdak bij een weduwe. Ze vraagt de vrouw naar
de toestand in het klooster en ontdekt dat haar afwezigheid
onopgemerkt is gebleven. Drie visioenen vertellen haar dat Maria
veertien jaar lang haar gedaante aannam, haar habijt droeg en
haar taken vervulde. Beatrijs krijgt opnieuw moed. Wanneer ze
haar kinderen veilig kan achterlaten bij de weduwe, neemt ze
haar taak in het klooster weer op. Bij de jaarlijkse visitatie van
de abt gaat ze met haar zonden te biecht, en wordt ze vergeven.
Dit op voorwaarde dat de abt haar verhaal mag doorvertellen,
zodat anderen ervan kunnen leren. De abt neemt tevens de zorg
voor de kinderen van Beatrijs op. Pas wanneer dat gebeurt, wordt
zij in het stuk bij naam genoemd